Java is een programmeertaal die is bedacht om op vrijwel elk apparaat te draaien zonder dat je hem hoeft te herschrijven, vandaar de oude slogan ‘write once, run anywhere’. Je code draait op een klein stukje software, de Java Virtual Machine, en die laag zit tussen je programma en de computer zelf. Daardoor draait dezelfde Java-applicatie op een Windows-server, een Linux-machine of een Android-telefoon.
Zie Java als de dieselmotor onder de programmeertalen. Niet de flitsendste, maar betrouwbaar, hij trekt zware lasten en mensen vertrouwen hem voor de lange termijn. Daarom draaien zoveel banken, luchtvaartmaatschappijen en verzekeraars hun kernsystemen er nog steeds op. Java is sterk object-georiënteerd, wat betekent dat code in herbruikbare bouwblokken wordt opgedeeld, en het leunt flink op een framework als Spring om het repeterende loodgieterswerk te regelen.
Het is ook een van de meest onderwezen talen ter wereld, dus mensen vinden die een Java-systeem over jaren nog kunnen onderhouden is zelden een probleem. Die levensduur telt als een systeem het team moet overleven dat het ooit bouwde.
De keerzijde is dat Java nogal omslachtig is. Een klus die in een nieuwere taal een paar regels kost, loopt hier al snel op tot een stuk of tien, en de aanloop is zwaarder. Voor een snel scriptje of een kleine marketingsite betaalt dat gewicht zich zelden terug. Java schittert juist in het grote, langlevende systeem waar voorspelbaarheid belangrijker is dan nieuwigheid. Denk aan een verzekeraar die polissen verwerkt of een bank die transacties afhandelt, jaar in jaar uit.
Bij TopDevs grijpen we naar Java als een klant een backofficesysteem nodig heeft dat solide moet blijven onder belasting en tien jaar of langer moet blijven draaien.